Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 september 2006
Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 15 september 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX9402.
8. Bij de beoordeling van de cassatieklachten dient verder het volgende te worden vooropgesteld. Art. 719 BW (oud) bepaalde dat voetpaden, dreven of wegen aan verscheidene buren gemeen, en welke hun tot uitweg dienen, niet dan met gemene toestemming kunnen worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve bestemd zijn geweest. De gemeenschappelijkheid ziet op het gebruik en niet op de eigendom; vereist is derhalve het gemeenschappelijk gebruik van de weg door twee of meer buren, van wie één de eigenaar kan zijn. Niet noodzakelijk is - zoals bij een noodweg - dat de weg voor de gebruikers de enige uitweg vormt. Voor het ontstaan van een buurweg is volgens vaste jurisprudentie van uw Raad een (subjectieve) bestemmingshandeling noodzakelijk: een buurweg ontstaat door een uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring (inhoudende een bestemming tot buurweg) van de eigenaar of een daarmee gelijkgestelde gerechtigde mits de weg overigens voldoet aan de in art. 719 BW (oud) genoemde voorwaarden (zie: HR 3 december 1965, NJ 1967, 41 m.nt JHB en HR 23 mei 1975, NJ 1976, 490, m.nt WMK). Volgens constante jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het ontstaan van een buurweg nodig dat het gemeenschappelijk gebruik zijn grondslag vindt in een bestemmingshandeling hetzij van de eigenaar van de weg (of een daarmee gelijk gestelde zakelijk gerechtigde) hetzij van de gezamenlijke buren onder wie de eigenaar (of daarmee gelijk gestelde zakelijk gerechtigde). Een uitdrukkelijke bestemming behoeft niet te blijken uit een akte die in de openbare registers wordt overgeschreven; een stilzwijgende bestemming kan uit gedragingen van de eigenaar afgeleid worden. In geval van langdurig gemeen gebruik kan evenwel - zoals ook de rechtbank in de onderhavige zaak heeft overwogen - een beroep worden gedaan op het bezit van het recht van buurweg, welk bezit een vermoeden van recht oplevert (vgl. thans art. 3:119 lid 1 BW). Dat vermoeden is vatbaar voor tegenbewijs, in welk verband door de rechthebbende kan worden aangetoond dat de uitoefening van het recht enkel steunt op gedogen van de rechthebbende op de weg of eigenmachtig optreden van degene die zich op het recht van buurweg beroept. (Zie voor dit alles: Asser-Beekhuis 3-II, 12e druk, 1990, nr. 179-181, Davids-Smalbraak, 3e druk, 1988, nr. 38 en Pitlo-Brahn, 9e druk, 1987, p. 282-283, steeds met verdere verwijzingen naar - veelal oudere - rechtspraak.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0697c1fee735ce28b8e718ba83f631094ff83ca86536b0f64bc87a420ca3d934. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0697c1fee735ce28b8e718ba83f631094ff83ca86536b0f64bc87a420ca3d934, en de alinea staat in dat document op bytes 23274 tot 25737.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0697c1fee735ce28b8e718ba83f631094ff83ca86536b0f64bc87a420ca3d934 | shasum -a 256