Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 september 2006
Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 15 september 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX9402.
In de literatuur is evenwel betoogd dat de bepaling van lid 4 in sommige gevallen analogisch kan worden toegepast op de gebruiker die slechts een persoonlijk recht op de onroerende zaak heeft. Zo meent Berger (Burenrecht, mandeligheid, erfdienstbaarheden, 4e druk, 2001, p. 146) dat de eigenaar van het heersende erf rechtstreeks kan optreden tegen de gebruiker van het dienende erf wanneer deze de uitoefening van de erfdienstbaarheid frustreert. Deze ruime opvatting is voor het gehele burenrecht - waartoe art. 719 BW (oud) behoort - door de Hoge Raad aanvaard in zijn arresten van 24 januari 1992, NJ 1992, 280 en NJ 1992, 281 met de in het middelonderdeel weergegeven overweging: uw Raad overwoog dat het burenrecht zich in beginsel richt tot de eigenaars van naburige erven, doch dat de aard en de inhoud van de rechten en verplichtingen welke toekomen aan dan wel rusten op een niet-eigenaar die op grond van een bepaalde rechtsverhouding met de eigenaar bevoegd is tot het gebruik van het erf, in samenhang met de aard en de strekking van een burenrechtelijke bepaling evenwel kunnen meebrengen dat bepalingen van het burenrecht van overeenkomstige toepassing zijn op de gebruiker/niet eigenaar. Zo zullen bepalingen van het burenrecht van overeenkomstige toepassing kunnen zijn wanneer de gebruiker/niet-eigenaar hinder toebrengt aan het naburige erf resp. wanneer een gebruiker/niet-eigenaar op het door hem gebruikte erf hinder ondervindt van het naburige erf. In genoemde arresten, waarin het ging om de actie van art. 714 juncto 713 BW (oud) (verwijdering van hinderlijke beplantingen), werd overigens voorts nog overwogen dat de vraag of burenrechtelijke verplichtingen in zodanige mate op een huurder rusten dat de huurder zelfstandig in een procedure kan worden betrokken ter afdwinging van die verplichtingen, in haar algemeenheid niet te beantwoorden valt. Gelet op de strekking van art. 713 BW (oud) alsmede op het belang van de eigenaar (bijv. om bepaalde verweren te kunnen voeren), kan naar het oordeel van uw Raad in genoemde arresten een vordering tegen de huurder slechts worden ontvangen indien de eigenaar van dat erf mede in het geding is betrokken, dan wel indien de eisende partij een schriftelijke verklaring in het geding brengt waaruit ten genoegen van de rechter blijkt dat die eigenaar tegen de gevorderde verwijdering van de gewassen geen bezwaar heeft. Omgekeerd valt, aldus uw Raad, niet in te zien waarom de huurder de bedoelde vordering niet zou kunnen instellen indien de eigenaar van het door hem gehuurde erf daartegen geen bezwaar heeft (zie over deze arresten voorts: R. Westrik, WPNR 6160 (1994), p. 831-837 en Berger, a.w., nr. 5).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0697c1fee735ce28b8e718ba83f631094ff83ca86536b0f64bc87a420ca3d934. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0697c1fee735ce28b8e718ba83f631094ff83ca86536b0f64bc87a420ca3d934, en de alinea staat in dat document op bytes 30010 tot 32701.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0697c1fee735ce28b8e718ba83f631094ff83ca86536b0f64bc87a420ca3d934 | shasum -a 256