Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 november 2006

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 3 november 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX9701.

De stelling van de bank dat de berekening in de beëindigingsovereenkomst slechts een voorlopige was, is door het hof verworpen. Volgens het hof is de bank gebonden aan het bedrag dat in de beëindigingsovereenkomst met [verweerster] is opgenomen (rov. 3.5). Aan de stelling van de bank dat [verweerster] wist dat in de beëindigingsovereenkomst een onjuist bedrag was opgenomen, is het hof (op grond van de betwisting daarvan door [verweerster] en bij gebreke aan een concreet en voldoende gespecificeerd bewijsaanbod van de bank) voorbijgegaan. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de bank weliswaar niet aan het overeengekomen bedrag zou kunnen worden gehouden indien voor [verweerster], gelet op de hoogte daarvan, zonder meer duidelijk zou moeten zijn dat zij in redelijkheid niet op de juistheid van dat bedrag had mogen vertrouwen, maar die situatie doet zich in de onderhavige zaak, nog steeds volgens het hof, niet voor. Het oordeel van de kantonrechter dat [verweerster] erop mocht vertrouwen dat het door de bank in de beëindigingsovereenkomst opgenomen bedrag juist was, is door het hof onderschreven. Het feit dat [verweerster] zelf tot de conclusie had kunnen komen dat de vergoeding krachtens de maximeringsregel lager diende te zijn, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders (rov. 3.6).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c7ff7be33fb6c4920db4c132901c6a1da835bfa270c620e604e290c416c0460b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c7ff7be33fb6c4920db4c132901c6a1da835bfa270c620e604e290c416c0460b, en de alinea staat in dat document op bytes 17375 tot 18701.