Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 november 2006

Alinea 111 Parket bij de Hoge Raad 10 november 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY8290.

10 In het verweerschrift wordt onder nr. 5.2 verwezen naar HR 8 april 2005, RvdW 2005, 51 (Laurus), waarin is aangenomen dat gelet op de aard van de procedure van enquête - waarin, zoals ik in mijn conclusie onder nr. 3.59-3.63 uitvoerig heb aangegeven, een voortvarende afhandeling geboden is - de ondernemingskamer niet gehouden is in te gaan op een aanbod tot het leveren van (tegen)bewijs. Dit betekent dus, zo overweegt de Hoge Raad, dat de aard der zaak in zoverre meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv op grond waarvan de bewijsrechtelijke regels ex art. 149-207 Rv van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de verzoekschriftprocedure. Anders dan verweerders in cassatie, meen ik evenwel dat, gezien de specifieke (spoedeisende) aard van de enquêteprocedure, deze uitzondering op de toepasselijkheid van het bewijsrecht niet zonder meer ook opgaat voor de procedure ex art. 2:298 BW. Daarmee acht ik art. 151 lid 2 Rv (tegenbewijs staat vrij) dus in beginsel op de procedure ex art. 2:298 BW van (overeenkomstige) toepassing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f7f4e1cbc9fa9c7529e4bd705f436cec98325c2900d8962c22db91c6321da578. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f7f4e1cbc9fa9c7529e4bd705f436cec98325c2900d8962c22db91c6321da578, en de alinea staat in dat document op bytes 55796 tot 56904.