Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2006
Alinea 121 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2006
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY8330.
3 HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605 en HR 11 juni 2002, Nieuwsbrief Strafrecht 2002, 208. In deze laatste uitspraak en in HR 25 januari 2000, NJ 2000, 280 wordt met hantering van dit criterium de (impliciete) verwerping van het verweer dat sprake was van een plotselinge gemoedsopwelling voldoende bevonden. Demeersseman, a.w., p. 14 e.v., noemt rechtspraak van voor 1886, waarin voor de voor moord vereiste "premeditatie" voldoende werd geacht dat de verdachte het plan had een ander aan te vallen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1bf15e4e56f16fb2bffe233f4e82eaf5d00cce148236f300f2835d3901edc672. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1bf15e4e56f16fb2bffe233f4e82eaf5d00cce148236f300f2835d3901edc672, en de alinea staat in dat document op bytes 50952 tot 51460.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1bf15e4e56f16fb2bffe233f4e82eaf5d00cce148236f300f2835d3901edc672 | shasum -a 256