Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 november 2006

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 14 november 2006

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY9178.

19. Omdat de in het middel opgeworpen motiveringsklacht voor de uitleg van art. 126k lid 3 Sv jo. art. 126g lid 6 Sv - en daarmee voor de opsporingspraktijk - niet zonder belang is, veroorloof ik mij daarover nog een enkele opmerking. Het komt mij voor dat het Hof antwoord geeft op de verkeerde vraag. De vraag is niet of de OvJ op 4 februari 2003 van oordeel kon zijn dat toen sprake was van een "dringende noodzaak", maar of op 20 februari 2003 kon worden geoordeeld dat het binnentreden zo spoedeisend was dat een schriftelijk bevel van de OvJ niet kon worden afgewacht. In de overwegingen van het Hof ligt besloten, dat er ruimschoots gelegenheid is geweest om een schriftelijk bevel af te geven, zodat van een "dringende noodzaak" op 20 februari 2003 geen sprake was. Hetzelfde kan ook anders gezegd worden: als het op 4 februari gegeven mondelinge bevel binnen drie dagen op schrift was gesteld, was op 20 februari 2003 binnengetreden op grond van een schriftelijk bevel, zodat de vraag of gesproken kon van van een dringende noodzaak in de zin van art. 126k lid 3 Sv jo. art. 126g lid 6 Sv niet aan de orde zou zijn geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08e7e08a1bdc8be87835abf560576acfadf596feb92fb55d1d1c702f96a9ea06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08e7e08a1bdc8be87835abf560576acfadf596feb92fb55d1d1c702f96a9ea06, en de alinea staat in dat document op bytes 26676 tot 27822.