Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2007

Alinea 106 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AI0669.

3.14. Ik wil graag toegeven dat dit oordeel zeer algemeen is geformuleerd. Bij de interpretatie ervan is evenwel voorzichtigheid geboden. Daarvoor zijn twee redenen aan te voeren. De eerste betreft de feitelijke context waarin voormelde rechtsoverweging geplaatst moet worden: in de zaak die tot BNB 1999/350 heeft geleid, was geen sprake van een factuur welke aan een niet-ondernemer was uitgereikt. De ontvanger van de factuur was een ondernemer die ter zake van de in rekening gebrachte omzetbelasting niet tot aftrek gerechtigd was. Kort gezegd, heeft het arrest betrekking op een woningstichting die een tienjarig erfpachtsrecht op enkele complexen nieuwbouwwoningen had gevestigd ten gunste van een door haar opgerichte andere stichting. Ter zake van de transactie had zij omzetbelasting in rekening gebracht, die de erfpachter niet als voordruk in aftrek kon brengen. In rechte bleek echter dat de vestiging van het erfpachtsrecht onderdeel uitmaakte van de overdracht van een deel van een onderneming, zodat artikel 31 Wet OB 1968 toepassing had moeten vinden en de facturering van omzetbelasting achterwege had behoren te blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5a669e97cb232f26eca0708e6fb7bb4cfe55b35fb16e840aec2afc2247f4869. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5a669e97cb232f26eca0708e6fb7bb4cfe55b35fb16e840aec2afc2247f4869, en de alinea staat in dat document op bytes 34374 tot 35527.