Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2007

Alinea 172 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AX0678.

6.3.6. In belanghebbendes klachten omtrent het tarief ligt ook bezwaar tegen de absolute hoogte daarvan besloten. Opnieuw is aan de orde aan welke maatstaf de rechter de redelijkheid van de heffing moet afmeten. Hij kan niet zijn eigen oordeel omtrent hetgeen redelijk is, daarvoor hanteren doch moet omzien naar een criterium voor hetgeen naar breed gedragen maatschappelijke opvatting niet meer redelijk kán worden geacht. Het komt mij voor dat amper iemand het redelijk zou vinden wanneer het totaal aan belasting dat op de woning drukt, meer bedraagt dan de daaruit te verwachten opbrengst. Feiten dienaangaande zijn niet gesteld, maar de wetgever gaat in box 3 van de inkomstenbelasting uit van een over een groot aantal jaren gemeten gemiddelde voor de netto-opbrengst uit vermogensbestanddelen van 4%. Uitgaande van een heffing in box 3 van (maximaal) 1,2 % zou in die optiek een ruimte voor gemeentelijke heffing van ten hoogste 2,8 % aan onroerende-zaakbelasting en forensenbelasting bestaan. Gemeten aan deze toets is de aan belanghebbende opgelegde heffing niet zo hoog dat de rechter zou dienen in te grijpen, aangezien deze bij een woningwaarde tussen € 90.000 en € 135.000 € 950 bedraagt, terwijl volgens haar mededeling op blz. 3 van de pleitnota voor het hof de onroerende-zaakbelasting € 238 bedraagt, zodat de totale heffing ruim beneden de genoemde grens blijft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2bfa42a57b53a5fc2b782e8a4bcb8f8a61f514d76ca878df533d2bd94a7ce36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2bfa42a57b53a5fc2b782e8a4bcb8f8a61f514d76ca878df533d2bd94a7ce36, en de alinea staat in dat document op bytes 52884 tot 54288.