Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2007

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AX0790.

5.7. In het geval van een Amsterdams verrekenbeding geldt het volgende. De echtgenoten zijn een overeenkomst aangegaan waarbij zij hun onverteerde inkomsten aan het einde van elk kalenderjaar bij helfte zullen verdelen. Dat betekent dat aan het einde van elk jaar een vordering ontstaat bij de ene echtgenoot en een corresponderende schuld bij de andere echtgenoot. De overeenkomst kwalificeert als een civielrechtelijke verbintenis. Het voorwerp van deze verbintenis, de prestatie, is het bedrag dat de ene echtgenoot aan de andere moet betalen. De eiser van de prestatie heeft een materieel recht (een vorderingsrecht) op nakoming van de prestatie door de schuldenaar. Daaraan doet niet af dat, blijkens NJ 2005/125(23), nakoming onder omstandigheden pas kan worden gevorderd bij het einde van het huwelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b69fea0ee84c0f824be369bf09fb6d0c1457f83f561fadd7fe2ac4dad76fdf3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b69fea0ee84c0f824be369bf09fb6d0c1457f83f561fadd7fe2ac4dad76fdf3d, en de alinea staat in dat document op bytes 22411 tot 23234.