Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 februari 2007

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 23 februari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AX3070.

2.13 Het onderdeel bouwt voort op de naar mijn mening onjuiste lezing die [eiser] reeds in het eerste onderdeel aan rov. 4.9 heeft gegeven en volgens welke lezing het hof bepalend zou hebben geacht dat DNB het voor [eiser] niet feitelijk onmogelijk heeft gemaakt om langs bestuursrechtelijke weg tegen het besluit van 26 juni 1998 op te komen. Ik lees rov. 4.9 aldus dat voor het hof bepalend is geweest dat van [eiser] mocht worden verwacht dat hij zich niet zonder meer bij de opvattingen van DNB (ook die met betrekking tot de ontvankelijkheid van een eventueel bezwaar en beroep) zou neerleggen, maar die opvattingen in bezwaar en zonodig beroep zou beproeven. Aldus beschouwd heeft het hof wel degelijk voldoende duidelijk gemaakt waarom het, ook al kon het standpunt van DNB [eiser] in de veronderstelling brengen dat voor hem geen bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het besluit van 26 juni 1998 openstond, geen uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht heeft aangenomen. In de gedachtegang van het hof had [eiser] zich niet zonder meer door de opvattingen van DNB omtrent de (niet-)ontvankelijkheid van een eventueel bezwaar en beroep mogen laten leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e1d8a5a4fcd7d3ee7bad4622935ab5434814c01127af808554e6eb149481679. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e1d8a5a4fcd7d3ee7bad4622935ab5434814c01127af808554e6eb149481679, en de alinea staat in dat document op bytes 41917 tot 43106.