Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 november 2007

Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 30 november 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AX7244.

2.1. Het geschil in feitelijke instantie betrof drie vragen, waarvan in cassatie nog slechts aan de orde is de vraag of ten onrechte dividendbelasting is ingehouden en - deels - gehandhaafd in 2001 en 2003, met name gezien het gegeven dat de belanghebbende de inhoudingsvrijstelling van art. 4 Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet Divb.) zou hebben genoten indien (i) zij in Nederland zou zijn gevestigd of indien haar deelneming in X toerekenbaar zou zijn geweest aan een Nederlandse vaste inrichting, en (ii) haar belang als een (oneigenlijke) deelneming zou zijn aan te merken. De Inspecteur heeft gesteld dat inhouding van dividendbelasting niet achterwege kan blijven, nu niet is voldaan aan de eis van art. 4, lid 1, Wet Divb. dat de deelneming behoort tot het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming van de buitenlandse deelnemer (hierna: de vaste-inrichtingseis). De belanghebbende heeft betoogd dat de vaste-inrichtingseis onverenigbaar is met EG-recht, in het bijzonder met art. 56 EG-Verdrag (vrij kapitaalverkeer).(7)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/157a9b9dd9da56ce90a9ba46fe68f9410c0180b72ee26c3ed24fa9bda1967297. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 157a9b9dd9da56ce90a9ba46fe68f9410c0180b72ee26c3ed24fa9bda1967297, en de alinea staat in dat document op bytes 11822 tot 12884.