Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2007

Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AY6713.

34. Niettemin heeft het Bundesgerichtshof zich over precies dezelfde kwestie uitgesproken, namelijk of een niet-openbare doch koersgevoelige bijzonderheid gevonden kan worden in enig feitelijk gegeven dat uitsluitend (in een bepaalde gedaante) voor de buitenwereld zichtbaar is geworden omdat de wil van degene die met voorwetenschap gehandeld zou hebben gericht is geweest op het creëren of machineren van dat feitelijk gegeven. Bij het beantwoorden van die vraag heeft het Bundesgerichtshof zich gericht op Richtlijn 89/592/EEG. Aangezien art. 46 Wte 1995 (zoals de bepaling in het najaar van 2000 luidde) onder meer strekte tot tenuitvoerlegging van deze Richtlijn 'transacties door ingewijden', moet dat ook in deze zaak het oriëntatiepunt in het Europese recht zijn. Daarom ken ik aan de zojuist weergegeven overwegingen van het Bundesgerichtshof groot gewicht toe voor de beoordeling van de in deze zaak opgeworpen klachten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f91babb15c75f07ddcd9ef21d97895739455b498d3c1c564d13bba75394c229. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f91babb15c75f07ddcd9ef21d97895739455b498d3c1c564d13bba75394c229, en de alinea staat in dat document op bytes 41296 tot 42242.