Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007
Alinea 113 Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AY8549.
5.13. In het arrest van HR 12 oktober 2001, na conclusie A-G Van den Berge, BNB 2002/125 moest de Hoge Raad zich opnieuw buigen over de uitdrukking '"ten laste komen van de vaste inrichting" ("borne by a permanent establishment"). Belanghebbende woonde in Nederland en was als bedrijfsjurist in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever die werkzaamheden buitengaats verrichtte. Hij had 13 dagen in het Verenigd Koninkrijk (VK) en 28 dagen in de Verenigde Staten (VS) gewerkt, steeds aan wal en dus niet op het continentale plat. Vaststond dat de werkgever niet beschikte over een vaste inrichting in de zin van artikel 5 van de OESO-conforme belastingverdragen met respectievelijk het VK en de VS, maar wel over een fictieve vaste inrichting in de zin van het verdragsartikel inzake werkzaamheden buitengaats. Voor het hof had belanghebbende gesteld dat de beloningen voor zijn werk ten behoeve van de (fictieve) vaste inrichtingen via een bepaalde verdeelsleutel ten laste van het resultaat van die (fictieve) vaste inrichtingen waren gekomen.(21) De inspecteur had die stelling voor het hof niet bestreden. Volgens de Hoge Raad gaf deze niet door de inspecteur weersproken stelling geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat in cassatie van de juistheid daarvan moest worden uitgegaan. In geschil was of de fictieve vaste inrichting als bedoeld in het verdragsartikel inzake werkzaamheden buitengaats gelijkgesteld kon worden met een vaste inrichting als bedoeld in het dienstbetrekkingsartikel in het belastingverdrag met het VK (artikel 15, tweede lid, onderdeel c) en het belastingverdrag met de VS (artikel 16, onderdeel 2, onderdeel c); deze bepalingen luiden conform artikel 15, tweede lid, onderdeel c van het OESO-Modelverdrag 1963. Naar het oordeel van de Hoge Raad was zulks het geval: ondernemingen die in de andere staat werkzaamheden buitengaats verrichten in de zin van de belastingverdragen met resp. het VK en de VS worden volgens de Hoge Raad geacht daar een bedrijf uit te oefenen door middel van een vaste inrichting. Voorts verwijst de Hoge Raad naar de strekking van art. 15, tweede lid, onderdeel c, OESO-Modelverdrag 1963:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d81ffb067c5b2f964e1dfdf29a537af4514a821b2987b4ff1759464ba67fe9c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d81ffb067c5b2f964e1dfdf29a537af4514a821b2987b4ff1759464ba67fe9c0, en de alinea staat in dat document op bytes 50881 tot 53057.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d81ffb067c5b2f964e1dfdf29a537af4514a821b2987b4ff1759464ba67fe9c0 | shasum -a 256