Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2007

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AY9172.

22. Dat brengt mij op het vierde middel. Daarin wordt gesteld dat het Hof een gemotiveerd antwoord had moeten geven op het gevoerde verweer. Hoewel de steller van het middel art. 359 lid 2 Sv niet met zoveel woorden noemt, meen ik dat de klacht toch aldus moet worden begrepen dat het Hof in strijd met dat artikellid heeft nagelaten te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdachte. Ik meen - alles afwegende - dat deze klacht gegrond is. Het gevoerde verweer behelst een argumenten onderbouwd betoog dat op grond van het voorhanden bewijsmateriaal niet tot de bewezenverklaring van het opzet kan worden geconcludeerd. Het ging daarbij om de waardering en interpretatie van de afgelegde verklaringen, verklaringen die voor het bewijs van het opzet cruciaal waren maar waaruit dat opzet niet zonneklaar blijkt. Het bijzondere daarbij was dat de lezing van de verdachte dat hij slechts had geduwd om naar binnen te kunnen, maar niet het opzet had om letsel toe te brengen, steun vindt in de integrale ('ongesplitste') verklaring van het slachtoffer, die immers vermoedde dat de verdachte hem opzij wilde duwen, maar daarbij (naar het schijnt: min of meer per ongeluk) zijn gezicht raakte. Waarom het Hof desondanks oordeelde dat van opzet sprake was, is niet zonder meer duidelijk. Dat klemt te meer nu het Hof in het midden heeft gelaten of de verdachte geslagen heeft of geduwd en in duwen als zodanig het bewezenverklaarde opzet zoals gezegd niet besloten ligt. Het kan zijn dat het Hof - in weerwil van de gemotiveerde bestrijding van de betrouwbaarheid daarvan - veel gewicht heeft toegekend aan de verklaring van getuige [getuige 1]. Dat had dan echter wel enige uitleg verdiend. Daar komt bij dat het nog maar de vraag is of het Hof doorslaggevende betekenis aan de verklaring van deze getuige heeft gehecht. Het Hof houdt immers voor mogelijk dat de verdachte, anders dan deze getuige verklaarde, niet heeft geslagen maar heeft geduwd. Zonder nadere toelichting is derhalve niet duidelijk hoe het Hof tot het bewijs van het opzet is gekomen. Dat betekent dat niet gezegd kan worden dat zich hier het geval voordoet dat een expliciete reactie op het gevoerde verweer achterwege kon blijven omdat het verweer zijn weerlegging impliciet vindt in de gemotiveerde bewezenverklaring (vergelijk HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfb494edb5b780cfb52f1df1d2470680d1ec9f868ba37c228d148d63e995f637. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfb494edb5b780cfb52f1df1d2470680d1ec9f868ba37c228d148d63e995f637, en de alinea staat in dat document op bytes 23223 tot 25617.