Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Alinea 186 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AY9194.

8.14 In casu gaat het om een overwegend feitelijke kwestie. Op de achtergrond speelt echter de vraag naar de uitleg van de in het Bam gegeven definitie van een "akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt". Is bijvoorbeeld voldoende, zoals de Raad van State schijnt te menen, dat de akkerbouwactiviteiten "overheersen"? Of komt, zoals in de overwegingen van het Hof gelezen zou kunnen worden, aan de omvang van de opslagactiviteiten zelfstandige betekenis toe? Ik meen dat de strafrechter in dit geval - waarin juridisch oordeel en feitelijke waardering samenvloeien - niet aan het oordeel van de bestuursrechter is gebonden. Wel meen ik dat het belang van de voorkoming van tegenstrijdige uitspraken als regel meebrengt, dat de strafrechter in een dergelijk geval, als ter terechtzitting een beroep is gedaan op het oordeel van de bestuursrechter, dient te motiveren waarom hij van dat oordeel afwijkt. Anders gezegd: een beroep op een andersluidend oordeel van de bestuursrechter zal al gauw hebben te gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv waaraan niet zonder nadere redengeving voorbij mag worden gegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a0366e73a1adb54e65c810961cb930cce2dcec1d34b0e0820e7b3749ea1f458b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a0366e73a1adb54e65c810961cb930cce2dcec1d34b0e0820e7b3749ea1f458b, en de alinea staat in dat document op bytes 62710 tot 63881.