Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007

Alinea 193 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ0213.

8.1.1. In de memorie van toelichting bij het op 16 september 1991 ingediende wetsvoorstel begint de minister met een bespreking van de ontwikkeling van het daderschapsbegrip. Hij wijst er op dat in het moderne strafrecht in een aantal gevallen het daderschapsbegrip wordt gehanteerd in het kader van de toerekening: is er sprake van een zodanig uiterlijk kenbare opstelling dat het redelijk is bijvoorbeeld een verboden toestand aan betrokkene toe te rekenen. De minister wijst onder meer op het verschijnsel der omissiedelicten, op het functioneel daderschap en op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Hij concludeert dat dergelijke vormen van strafbaarheid waarbij het daderschap is 'verintellectualiseerd' de vrijheid van het gedachtegoed niet aantasten ook al ligt de grond van de strafrechtelijke reactie veeleer in de innerlijke opstelling van de dader dan in zijn lichamelijke activiteit.(4) Het daderschap verwijdert zich aldus van de zuiver fysieke beweging die in 1881 aan de wetgever als strafbare gedraging voor ogen stond. De geleidelijke strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen als delicta sui generis past bij deze ontwikkeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae, en de alinea staat in dat document op bytes 47838 tot 49026.