Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007
Alinea 281 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ0213.
Een vergelijking tussen pogingsjurisprudentie en art. 46 Sr maakt ook Rozemond. Hij ziet een sterke gelijkenis tussen de 'uiterlijke verschijningsvorm' bij het begin van uitvoering en de uitleg in de wetsgeschiedenis van de 'kennelijkheid' van de bestemming in art. 46 Sr.(62) Hij meent dat uit het Cito-arrest twee factoren kunnen blijken die het onderscheid kunnen maken tussen de strafbare poging en de strafbare voorbereiding. Allereerst verlangt art. 45 Sr volgens de Hoge Raad een geobjectiveerde gerichtheid. Ten tweede moet die gerichtheid al concreet gevaarzettend zijn.(63) Alleen de tweede factor staat volgens de auteur bij art. 46 Sr buitenspel.(64) Ik begrijp Rozemond aldus dat enkel een afspraak of intentie gecombineerd met het voorhanden hebben van 'neutrale' voorwerpen nog geen strafbare voorbereiding oplevert.(65) De intentie moet wel uit de gedragingen kunnen worden afgeleid, maar behoeft zich nog niet in een vergaande mate van concretisering te bevinden.(66)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae, en de alinea staat in dat document op bytes 106447 tot 107444.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae | shasum -a 256