Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007
Alinea 282 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ0213.
Smith daarentegen legt de nadruk op een objectieve benadering. Als de intentie van de dader de bestemming mede zou kunnen bepalen zouden bestemming en opzet samenvallen. Zo een subjectieve opstelling zou de wetgever niet gewild hebben. Evenmin past zo een subjectieve lezing bij het streven van de wetgever om aansluiting te zoeken bij de regeling van de poging. De bestemming moet dus kunnen blijken uit uiterlijk waarneembare omstandigheden.(67) Elders schrijft deze auteur dat een objectieve voorbereidingsleer een 'contradictio in terminis' lijkt te zijn. De betekenis van de objectieve waarneembare gedragingen kan men immers niet los zien van de intenties van de dader. Maar toch bepleit hij een objectivering en wel in die zin dat gedragingen die objectief gezien volstrekt onschuldig zijn buiten de werking van art. 46 Sr zouden moeten vallen.(68) Ook hij hecht waarde aan de perceptie van de gemiddelde rechtsgenoot, maar wil daarbij geen rekening houden met de intentie van de dader of met hetgeen in het opsporingsonderzoek bijvoorbeeld via observaties of telefoontaps bekend is geworden.(69) Smith wordt bijgevallen door Gritter en Sikkema.(70)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae, en de alinea staat in dat document op bytes 107452 tot 108621.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cebaa654df0d6c446e0fa1f0ba9c3fc03b0ae769dd1e680ccb46928918e0a0ae | shasum -a 256