Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2007

Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ2221.

1 Naar mijn mening is de rechter (in beginsel) niet gehouden met zoveel woorden te motiveren dat hij een bewijsaanbod passeert op de grond dat de te bewijzen aangeboden feiten niet ter zake dienend zijn of genoegzaam tussen partijen in confesso zijn. Dat spreekt immers voor zich en de rechter kan zijn tijd beter besteden dan het uitschrijven van overbodigheden. Voldoende, maar tevens noodzakelijk, is in mijn ogen dat voor zich spreekt waarom het bewijsaanbod wordt gepasseerd. Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.) art. 166 (Rutgers) aant. 4; anders echter D. Reisig, Het aanbod van getuigenbewijs (2005), nr. 114, 115, 117 en 123.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/26b858d20276c545eb9232fbc2f5924b93fb4e38c8eed707f4dc27783ac93625. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 26b858d20276c545eb9232fbc2f5924b93fb4e38c8eed707f4dc27783ac93625, en de alinea staat in dat document op bytes 36184 tot 36836.