Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2007
Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ4571.
2.5. De redenering van het hof in rov. 2.1 houdt in essentie in dat eiser er geen belang meer bij had, zich nog uit te laten over (de resultaten van) het strafrechtelijk onderzoek tegen deze twee getuigen. Op het eerste gezicht is dit een begrijpelijke gedachte: de wederpartij (de koper) was immers degene die aangifte had gedaan van meineed door deze twee getuigen aan de zijde van eiser. Het hof is kennelijk van oordeel dat eiser nimmer kan zijn benadeeld door het feit dat het strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke meineed door deze getuigen is uitgemond in een vrijspraak. Na de vrijspraak was er geen beletsel om de verklaringen van de getuigen in deze civiele procedure als bewijsmiddel te gebruiken. Indien eiser geen nadeel heeft ondervonden in zijn processuele positie kan cassatie achterwege blijven(7).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/430bef13c1e5ab9e364e11e69f89a39cdf6bd7a2692efbc863887e166f621165. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 430bef13c1e5ab9e364e11e69f89a39cdf6bd7a2692efbc863887e166f621165, en de alinea staat in dat document op bytes 20351 tot 21182.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/430bef13c1e5ab9e364e11e69f89a39cdf6bd7a2692efbc863887e166f621165 | shasum -a 256