Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 mei 2007

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 8 mei 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ6708.

14. Die afweging kan de (ex-) minderjarige in beginsel maken op elk tijdstip in de loop van het strafgeding. Opmerking verdient dat de wet voorziet in het intrekken van een klacht (art. 166 Sv). De vraag dient zich aan of de omgekeerde situatie niet evenzeer erkenning behoeft. Het laat zich zeer wel denken dat de minderjarige, op het moment waarop de feiten aan het licht komen en voorwerp van een strafrechtelijk (voor)onderzoek worden, een strafvervolging liefst wil vermijden, maar op een later tijdstip toch wenselijk vindt. Zo'n wijziging van standpunt kan diverse oorzaken hebben, die op zichzelf beschouwd niets te maken hebben met oprechtheid van bedoelingen of betrouwbaarheid van uitlatingen. Het kan gaan om schaamte, zelfverwijt, vrees voor isolement of vervreemding van de naaste omgeving, of om beduchtheid voor een hernieuwde confrontatie met degene die de (ex-)minderjarige, in ieder geval op dat moment, eigenlijk nooit meer wil zien dan wel met de (openbare) procedure waarin pijnlijke details met ongenadige precisie aan de orde zullen komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c3f892245e3949db5641a4733e0cabbf66148f33ea782cbf206333b03835e823. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c3f892245e3949db5641a4733e0cabbf66148f33ea782cbf206333b03835e823, en de alinea staat in dat document op bytes 15538 tot 16614.