Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007
Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8166.
20. Onder het vóór de invoering van art. 213 (oud) Rv geldende recht, toen nog de regel gold dat partijen in het geding niet als getuigen konden optreden, is de vraag gerezen of, wanneer in één geding meerdere eisers of meerdere gedaagden optreden, een mede-eiser of mede-gedaagde als getuige kan worden gehoord ten aanzien van de vordering door of tegen zijn partijgenoot ingesteld. Onder het toen geldende recht is deze vraag in bevestigende zin beantwoord en is als regel aanvaard dat, wanneer sprake is van een subjectieve cumulatie van vorderingen die ook afzonderlijk berecht zouden kunnen worden, mede-partijen niet over en weer in elkaars zaak als partijgetuige kunnen worden beschouwd. Zie HR 18 februari 1937, NJ 1937, 622 nt. PS. Zie ook Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, blz. 171 (MvT OS (1959) ad art. 190).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc4ddd569a2c1b615c9cd29510f286e2a4d73ecc81a10a12c07e84550225850a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc4ddd569a2c1b615c9cd29510f286e2a4d73ecc81a10a12c07e84550225850a, en de alinea staat in dat document op bytes 18879 tot 19715.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bc4ddd569a2c1b615c9cd29510f286e2a4d73ecc81a10a12c07e84550225850a | shasum -a 256