Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8166.
21. Het ligt voor de hand dat onder het huidige recht dezelfde regel heeft te gelden bij de toepassing van art. 164 lid 2 Rv, zodat moet worden aangenomen dat in geval van subjectieve cumulatie een partij, getuigende in de zaak van haar medepartij, niet als partijgetuige in de zin van art. 164 Rv is aan te merken. De bewoordingen van art. 164 lid 2 Rv ("geen bewijs in haar voordeel") staan daaraan in ieder geval niet in de weg. Vgl. de conclusie (onder 2.17) van A-G Asser voor HR 1 november 1996, NJ 1997, 83. Zie ook de conclusie (onder 3.5) van A-G Langemeijer voor HR 15 april 2005, NJ 2005, 272.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc4ddd569a2c1b615c9cd29510f286e2a4d73ecc81a10a12c07e84550225850a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc4ddd569a2c1b615c9cd29510f286e2a4d73ecc81a10a12c07e84550225850a, en de alinea staat in dat document op bytes 19735 tot 20352.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bc4ddd569a2c1b615c9cd29510f286e2a4d73ecc81a10a12c07e84550225850a | shasum -a 256