Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 april 2007

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 27 april 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA0387.

2.9. De wetgever is voorts ervan uitgegaan dat, indien eenmaal een echtscheidingsgeding in gang is gezet, dit geding met de gebruikelijke voortvarendheid ten einde wordt gebracht tenzij beide echtgenoten gezamenlijk uitstel verzoeken. Op eensluidend mondeling of schriftelijk verzoek van de echtgenoten wordt de behandeling niet aangevangen of niet voortgezet vóór het verstrijken van een door hen aangeduide termijn, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding (art. 818 lid 2 Rv). De plicht van de rechter om te waken tegen onredelijke vertraging van het geding volgt ook uit art. 20 lid 1 Rv. Indien, zoals hier, slechts één van beide partijen uitstel van de beslissing op het echtscheidingsverzoek verlangt, dient een belangenafweging te worden gemaakt waarbij, naast de belangen van partijen, ook het belang mag worden meegewogen dat het gerechtelijk apparaat niet nodeloos wordt belast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3cb46e274af44592f903c74304a9d440bb4f02d3ae4710bf53339a453aac76b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3cb46e274af44592f903c74304a9d440bb4f02d3ae4710bf53339a453aac76b, en de alinea staat in dat document op bytes 15954 tot 16878.