Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA0875.

5.5.3 Ten aanzien van de dreigende foltering van de opgeëiste persoon zelf, wordt aansluiting gezocht bij HR NJ 1997, 533.(2) In dat arrest was vaste rechtspraak bevestigd dat uitgangspunt is dat de vraag of sprake is van een gegrond vermoeden dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, ter beoordeling staat van de Minister van Justitie bij zijn beslissing of de uitlevering kan worden toegestaan. Daaraan was echter toegevoegd dat indien in de uitleveringsprocedure komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door politiefunctionarissen van de verzoekende staat in verband met de zaak waarvoor uitlevering is verzocht, eerder al is gefolterd, de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar zal moeten verklaren. Maar alleen in dat geval komt de uitleveringsrechter er aan te pas. De HR doet daarbij rechtstreeks een beroep op art. 3, eerste lid, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, gesloten te New York, op 10 december 1984 (Trb. 1985, 69) (verder ook: VN-verdrag).(3)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/953f73fb720de1c93f4233b1cf8552de9e896e746669963682055d42aebec3c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 953f73fb720de1c93f4233b1cf8552de9e896e746669963682055d42aebec3c2, en de alinea staat in dat document op bytes 17404 tot 18540.