Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA0875.

"Deze toevoeging heeft mij verrast, en ik moet bekennen dat ik de implicaties daarvan nog niet overzie. Tot dusverre werd een schending van art. 3 EVRM (en art. 3 van het VN-Folteringsverdrag) beschouwd als een onherstelbare (en naar zijn aard flagrante) inbreuk op een absoluut recht. Nu wordt die rechtsinbreuk daarentegen getrokken binnen de voorwaarden voor een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. In dit verband is mij niet duidelijk wat precies wordt bedoeld met de aan de uitleveringsrechter gegeven instructie 'het onder 6.4.1. overwogene in zijn oordeel te betrekken'. Dat 'onder 6.4.1. overwogene' betreft het risico van een flagrante rechtsinbreuk. De uitleveringsrechter zal zich afvragen hoe hij het beslissingsmodel voor een dreigende schending moet toepassen op een gebleken en onherstelbare schending. Zou de bedoeling wellicht zijn dat reeds ondergane marteling (of daarmee gelijk te stellen mensonwaardige bejegening) een niet meer af te wenden, maar nog wel te compenseren inbreuk op het recht op een eerlijk proces vormt? Oftewel: zouden de in HR NJ 2004, 41, rov. 6.5 gekozen bewoordingen zó verstaan moeten worden dat reeds ondergane marteling of vernedering pas een voor de toelaatbaarheid van de uitlevering relevante rechtsinbreuk vormt indien vaststaat dat er in de verzoekende staat geen rechter zal zijn die de klacht over marteling kan onderzoeken en daar gevolgen aan verbinden?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/953f73fb720de1c93f4233b1cf8552de9e896e746669963682055d42aebec3c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 953f73fb720de1c93f4233b1cf8552de9e896e746669963682055d42aebec3c2, en de alinea staat in dat document op bytes 20437 tot 21866.