Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 december 2007

Alinea 104 Parket bij de Hoge Raad 7 december 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1113.

4.2. Met betrekking tot de in onderdeel (ii) van het middel aan de orde gestelde vraag, namelijk of het Hof ten onrechte kosten - niet zijnde de hiervoor genoemde inkoopwaarde van de drugs - in aftrek heeft toegelaten, heeft het volgende te gelden. Nu de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, dient het beroep van belanghebbende te worden afgewezen, tenzij de onjuistheid van de beslissing van de Inspecteur is gebleken, dat wil zeggen overtuigend is aangetoond. Voorts mag de schatting die de Inspecteur aan de aanslag ten grondslag heeft gelegd, niet willekeurig zijn. Indien die schatting, zoals in het onderhavige geval kennelijk aan de orde is, voor een gedeelte wel willekeurig is, dient de aanslag dienovereenkomstig te worden verminderd(22). Deze vermindering dient evenwel achterwege te blijven wanneer de Inspecteur stelt dat desondanks het bedrag van de aanslag niet dient te worden verlaagd(23). Dit laatste doet zich in deze zaak voor: de Inspecteur heeft zich met een beroep op artikel 8a, eerste lid, aanhef en letter c, van de Wet, op het standpunt gesteld dat bij het opleggen van de aanslag ten onrechte kosten in aftrek zijn toegestaan die verband houden met de handel in drugs (zie onder meer het proces-verbaal van de zitting van 6 oktober 2005). Het komt mij voor dat het middelonderdeel reeds faalt omdat belanghebbende niet onherroepelijk door een Nederlandse strafrechter is veroordeeld voor de handel in drugs (zie ook onderdeel 4.1 hiervoor) zodat genoemd artikel niet aan aftrek van die kosten in de weg staat. Maar ook overigens kan het middel mijns inziens niet tot cassatie leiden. Het belang van de belastingplichtige om zich tegen een stelling als de onderhavige te kunnen verweren, vereist dat die stelling uitdrukkelijk en ondubbelzinnig door de inspecteur in de beroepsprocedure wordt bijgebracht(24). Het Hof heeft met betrekking tot de zo-even genoemde stelling van de Inspecteur, nu het deze onbehandeld heeft gelaten, kennelijk geoordeeld dat deze niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is betrokken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is, nu de stelling in zeer algemene bewoordingen is bijgebracht en tevens geen relatie wordt aangebracht tussen de kosten en het misdrijf waarvoor belanghebbende is veroordeeld, ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e04f21380916400ed5d5a22ad32184b866e582e78c28572504a2d9aafa15f689. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e04f21380916400ed5d5a22ad32184b866e582e78c28572504a2d9aafa15f689, en de alinea staat in dat document op bytes 39663 tot 42138.