Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2007
Alinea 92 Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1519.
16. In Parlementaire Geschiedenis, Boek 6, p. 825 (Mondeling Overleg, 2846) wordt ter onderbouwing van de noodzaak om een algemene regeling van ongerechtvaardigde verrijking in te voeren het voorbeeld genoemd van een aannemer die wegens financiële moeilijkheden de werkzaamheden staakt, terwijl aan de ene kant de opdrachtgever, omdat hij daartoe nog niet verplicht was, de eerst verschijnende bouwtermijn nog niet heeft voldaan en aan de andere kant een leverancier van de aannemer geen betaling heeft ontvangen. Wel rijst hier de vraag welke derde men de ruimte biedt voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op de opdrachtgever. In de bouw zijn lange ketens van onderaannemers en toeleveranciers niet ongebruikelijk. Ook een wat verder van de hoofdaannemer staande derde kan bij het vervallen van de overeenkomst van de opdrachtgever met de hoofdaannemer onbetaald blijven. Heeft ook die derde een vordering op de opdrachtgever, die een voordeel geniet als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst met de hoofdaannemer? Dienen hier grenzen te worden getrokken en, zo ja, waar?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01a4e116afb9ab7202faae91980149e9c2a38ce89cfeffe03dfae1c6aa0a724f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01a4e116afb9ab7202faae91980149e9c2a38ce89cfeffe03dfae1c6aa0a724f, en de alinea staat in dat document op bytes 39493 tot 40603.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/01a4e116afb9ab7202faae91980149e9c2a38ce89cfeffe03dfae1c6aa0a724f | shasum -a 256