Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007
Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1564.
2.9.4 In het feit dat partijen na het huwelijk het huis te [plaats] als echtelijke woning zouden gaan gebruiken, is, naar het voorkomt, niet een voldoende sterke aanwijzing voor het tegendeel gelegen. Bij de door de vrouw verdedigde uitleg van artikel 9 lid 4 zou het maken van een staat van aanbreng onder vermelding van het huis ook nog steeds in de rede hebben gelegen. Bij die uitleg zou nl. de aanvangswaarde van het huis bij de slotafrekening een aftrekpost zijn en dat zou alleen hebben gekund, indien een staat van aanbreng zou zijn opgemaakt. Op de zitting bij het hof heeft de man verklaard dat er bij de notaris uitdrukkelijk over het huis is gesproken. Het is ook zeer aannemelijk dat er bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden de vermogenssituatie van beide partijen ter sprake is gekomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e3ae3147541d9c36fbf5c0749bf27db65f726a84df438c5a15cd5a6dc30334e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e3ae3147541d9c36fbf5c0749bf27db65f726a84df438c5a15cd5a6dc30334e, en de alinea staat in dat document op bytes 33549 tot 34370.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2e3ae3147541d9c36fbf5c0749bf27db65f726a84df438c5a15cd5a6dc30334e | shasum -a 256