Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA2164.

12. Het kennelijke oordeel van het Hof dat in hetgeen verdachtes raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is gelegen in de zin van art. 359 lid 2 Sv getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(2) Datgene wat de verdediging heeft aangevoerd omtrent de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] houdt immers niet meer in dan dat hun verklaringen door tijdsverloop enigszins vertroebeld kunnen zijn, dat zij verschillende versies van het gebeurde geven, dat [getuige 1] aanvankelijk van drie personen sprak en dat [getuige 2] familie is van [betrokkene 1], hetgeen volgens de raadsman van de verdachte moet leiden tot de conclusie dat het bewijsminimum er weliswaar in zit, maar dat de overtuiging ontbreekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/511703fd0d4e396f365380f4861631b7a5fac0a724628dcf02ba7efe8269f91e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 511703fd0d4e396f365380f4861631b7a5fac0a724628dcf02ba7efe8269f91e, en de alinea staat in dat document op bytes 15358 tot 16250.