Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2007

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3039.

2.8 In de schriftelijke toelichting van ISS (p. 11-19) wordt uitvoerig geschetst wat de reden is waarom art. 43 CAO is ingevoerd. Kort gezegd komt het erop neer dat de betrokken CAO-partijen met art. 43 willen bewerkstelligen dat, indien er sprake is van een contractswisseling waarbij er geen activa of ondernemingsactiviteiten worden overgedragen (de bekende Süzen-problematiek uit de rechtspraak van het EG-Hof van Justitie; dit is een situatie die zich juist in de branche waarop de betrokken CAO betrekking heeft, dikwijls voordoet), de betrokken werknemers worden beschermd. Ik kan het middel hierin volgen (zie ook de opmerkingen van Lavos hierover in MvA, nr. 8 en 9 waarin wordt bevestigd dat dit de strekking van art. 43 CAO is). In de tekst van art. 43 CAO is deze strekking naar mijn inzicht ook duidelijk verwoord. Er wordt daar immers telkens gesproken over een contractswisseling. Aan die contractswisseling worden geen nadere eisen gesteld door te verlangen dat er ook activa of ondernemersactiviteiten worden overgedragen. Ik zou hier van een kennelijke strekking van art. 43 CAO willen spreken. Het middel wil echter iets anders, iets dat verdergaat dan uit deze kennelijke strekking van art. 43 CAO naar voren komt: het wenst art. 43 CAO zo uit te leggen dat het werknemers beschermt in een geval waarin er niet alleen een contractswisseling plaatsvindt, maar ook de opdrachtgever wisselt. Daaraan voegt het middel nog wel de enigszins beperkende voorwaarde toe dat de betrokken werkzaamheden voor en na de heraanbesteding voor dezelfde onderneming worden verricht. Mijns inziens is deze op zich zelf verdedigbare gedachte niet in art. 43 CAO verwoord. De problematiek van de wisseling van opdrachtgever heeft mijns inziens ook niet in het bijzonder op de schoonmaakbranche betrekking, maar speelt in veel branches. Uit de gedingstukken blijkt mijns inziens bovendien niet dat de betrokken CAO-partijen de bedoeling hebben gehad de situatie van een wisseling van opdrachtgever in art. 43 CAO te regelen. Ik zou op dit punt dan ook bepaald niet van een kennelijke strekking van art. 43 CAO willen spreken. Mijns inziens is een dergelijke bedoeling naar objectieve maatstaven ook niet uit de tekst of de systematiek van de CAO af te leiden. In deze situatie vind ik het juist dat het hof aan de preciese bewoordingen van art. 43 CAO groot gewicht heeft toegekend en in rov. 4.3 van zijn bestreden arrest heeft beslist dat art. 43 geen toepassing vindt, wanneer de opdrachtgever wisselt. Hierbij neem ik in aanmerking dat uitleg van een cao niet tot gevolg kan hebben dat er iets in een cao wordt gelezen dat partijen naar objectieve maatstaven gemeten niet hebben afgesproken. Het middel wijst nog op de onaannemelijke gevolgen van de door het hof voorgestane uitleg van art. 43 CAO. Deze onaannemelijke gevolgen dienen zich mijns inziens voornamelijk aan in de hierboven aangeduide misbruiksituaties. Zoals hierboven opgemerkt, sluit het arrest van het hof niet uit dat met behulp van een op het specifieke geval gerichte uitleg van art. 43 CAO met deze situaties rekening wordt gehouden. Het middel slaagt in dit opzicht niet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7185d287336061f3883eb8f6ec0d265b5ef0cd1c8f419737272cd2374643a624. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7185d287336061f3883eb8f6ec0d265b5ef0cd1c8f419737272cd2374643a624, en de alinea staat in dat document op bytes 27566 tot 30726.