Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3098.

11. Hoe de verdachte aan deze passage het gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben kunnen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd ter zake van art. 249 Sr is mij volstrekt onduidelijk. Ten eerste heeft de desbetreffende passage betrekking op de toepassing in de opsporingsfase van de meerbedoelde Aanwijzing en niet op de vraag welk feit ten laste zou kunnen worden gelegd. Ten tweede volgt daaruit dat de raadsman van verdachte juist wel uitging van een afhankelijkheidsrelatie en ten derde wordt dit standpunt van de raadsman in het memo wat betreft de situatie ten tijde van het onderzochte feit door de Officier van Justitie onderschreven. De rechtskundige kennis van de raadsman mag verondersteld zodanig te zijn dat hij ook in dit stadium een vervolging ter zake van art. 249 Sr zou hebben kunnen voorzien. In ieder geval heeft de raadsman noch verdachte aan dit memo een aanwijzing voor het tegendeel kunnen ontlenen, laat staan daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat níet ter zake van art. 249 Sr zou worden vervolgd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d0c151a7905d20076fe850d35741e57d419108abf64526ff726727757623ea79. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d0c151a7905d20076fe850d35741e57d419108abf64526ff726727757623ea79, en de alinea staat in dat document op bytes 14522 tot 15580.