Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3135.

12. Of het lied bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon doen ontstaan dat zij van het leven zou worden beroofd, is kortom een vraag die afhangt van een waardering van feiten en omstandigheden van feitelijke aard die daarom in cassatie niet ten volle kan worden beantwoord. Ik sluit niet uit dat het Hof terecht heeft aangenomen dat van een bedreiging in de zin van art. 285 Sr sprake was.(5) Ik volsta er daarom mee erop te wijzen dat de specifieke kenmerken van de rapcultuur ook het bewijs van het opzet compliceren. Uit de inhoud van de tekst als zodanig kan mijns inziens niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte heeft begrepen (al was het maar in de vorm van voorwaardelijk opzet) dat zijn woorden bij [slachtoffer] de redelijke vrees konden doen ontstaan dat hij haar om zou brengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389, en de alinea staat in dat document op bytes 23454 tot 24267.