Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3135.

18. In het middel wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat de verdachte - die niet heeft verzocht of opdracht heeft gegeven het lied verder te verspreiden en openbaar te maken - desalniettemin voorwaardelijk opzet had op het feit dat het lied [slachtoffer] bereikte. Daarbij wordt in het bijzonder opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat "niet aannemelijk is geworden dat verdachte zelf ten tijde van het verzenden van zijn rapliedje rekening heeft gehouden met eventuele auteursrechtelijke bescherming". Het Hof zou niet zonder nader onderzoek tot dit oordeel hebben mogen komen. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. De mogelijkheid dat een scholier (i) meent dat het auteursrecht zich er tegen verzet dat een liedje van een ander wordt doorgemaild en vooral (ii) dat zijn medescholieren zich aan dat auteursrecht iets gelegen zouden laten liggen, is zo weinig waarschijnlijk dat het op de weg ligt van de raadsman die deze mogelijkheid tot hoeksteen van zijn verweer wenst te maken, om daarvoor enige onderbouwing aan te dragen. Als die onderbouwing ontbreekt en de aangedragen mogelijkheid zelfs in de verklaringen van de verdachte geen begin van steun vindt, is het allerminst onbegrijpelijk dat het Hof die mogelijkheid niet aannemelijk acht. Wat de steller van het middel in dit verband verder nog aanvoert is leuk gevonden, maar daarmee is mijns inziens ook alle positiefs gezegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389, en de alinea staat in dat document op bytes 28098 tot 29541.