Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3135.

20. Belangrijker is nog is dat met het voorwaardelijk opzet op het ter kennis van het slachtoffer komen van de rap het door de wet geëiste opzet nog niet gegeven is. Vereist is tevens dat de wil van de verdachte gericht was op het teweegbrengen bij het slachtoffer van de indruk dat zij van het leven zou worden beroofd. Nu de verdachte het lied had geschreven om zijn gevoelens te uiten (waarvoor hij de 'literaire' vorm van de rap koos) en hij - zoals was aangevoerd - absoluut niet de bedoeling had dat het liedje [slachtoffer] ter ore zou komen, is het de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de wil van de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) erop was gericht dat [slachtoffer] zou vrezen voor haar leven. Dat brengt mij op het volgende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389, en de alinea staat in dat document op bytes 30466 tot 31251.