Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3135.

22. Naar mijn mening is deze klacht gegrond. Dat de verdachte - toen hij op het verzoek van [betrokkene 4] inging - dacht dat het geen kwaad kon als het liedje weer bij de meisjes terecht zou komen, valt mijns inziens niet te rijmen met het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het Hof dat de verdachte op dat moment willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees zou ontstaan dat verdachte haar van het leven zou beroven. Ik merk daarbij nog op dat het mij niet op voorhand onaannemelijk voorkomt dat de verdachte dacht dat het geen kwaad meer kon. Hij ging er kennelijk - mogelijk ten onrechte - vanuit dat alle meisjes al van de volledige inhoud van de rap hadden kennisgenomen, hij had daarvoor zijn excuses aangeboden en had - althans in zijn eigen voorstelling - alles uitgepraat. Dat alles wijst er niet op dat de verdachte heeft beseft dat de kans dat hij toch nog verkeerd zou worden begrepen, aanmerkelijk was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefadbcad09e9f7aeb89ab431194c620b1e0bc799c20a75cad16a2c1d8294389, en de alinea staat in dat document op bytes 31915 tot 32914.