Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007

Alinea 145 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3161.

3.4 Bij het voorgaande verdient aantekening dat de bedoelde rechtspraak tot ontwikkeling is gekomen in zaken waarin het ging om de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. Er is evenwel geen reden in het hiervoor samengevatte stelsel een afwijkende maatstaf te hanteren voor gevallen waarin het optreden van politie of justitie zich heeft beperkt tot opsporing en vervolging en waarin het niet is gekomen tot de toepassing van enig strafvorderlijk dwangmiddel. In dat laatste geval zal weliswaar veelal van een inbreuk op enig subjectief recht van degene tegen wie het optreden van politie of justitie zich richtte geen sprake zijn, maar de maatschappelijke realiteit is dat schade die het gevolg is van (het bekend worden van) een strafvervolging niet wezenlijk verschilt van schade die het gevolg is van toepassing van enig dwangmiddel. Enerzijds is de wijze waarop en de mate waarin door de verschillende in de wet geregelde dwangmiddelen inbreuk wordt gemaakt op het privé-leven van verdachten, verschillend: sommige dwangmiddelen hebben naar hun aard ingrijpende en onomkeerbare gevolgen, zoals de tot vrijheidsbeneming leidende dwangmiddelen, maar andere dwangmiddelen zijn veel minder ingrijpend, zoals het staande houden van de verdachte. Al naar gelang de maatschappelijke positie van de verdachte, de aard van de tegen hem gerezen verdenking, de wijze waarop deze eventueel in de publiciteit is gekomen en de verdere omstandigheden van het geval, bestaat anderzijds de mogelijkheid dat reeds de enkele opsporing en vervolging tot grote schade voor de verdachte leidt wat betreft zijn reputatie of anderszins. Er is daarom geen grond bij de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding, of een verklaring voor recht dat het optreden van politie en justitie onrechtmatig is geweest, na een niet tot een veroordeling leidende strafvervolging een meer terughoudende maatstaf te aanvaarden indien die vervolging niet gepaard is gegaan met de toepassing van enig dwangmiddel. Tegen het toepassen van een afwijkende maatstaf pleit ook dat het bij de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding na een strafvervolging in de praktijk veelal niet mogelijk zal zijn een onderscheid te maken tussen schade die het gevolg is van toepassing van - meer of minder ingrijpende - dwangmiddelen en schade die het gevolg is van ander optreden van politie en justitie in het kader van de strafvervolging dat aanvankelijk door de gerezen verdenking werd gerechtvaardigd (vgl. HR 14 januari 2005, nr. C03/125, NJ 2005, 346, rov. 4.3.2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e220826ed17f39c895fb98f0e502233227ead98df2ee885573819f146e4c8c2a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e220826ed17f39c895fb98f0e502233227ead98df2ee885573819f146e4c8c2a, en de alinea staat in dat document op bytes 62260 tot 64816.