Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007

Alinea 191 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3161.

5.42 In rov. 5.4.2 brengt het Hof - in cassatie niet bestreden - tot uitdrukking dat de OvJ de mogelijkheidheid moet hebben zijn vordering ter zitting "zo overtuigend mogelijk naar voren te brengen"; daarbij heeft hij een beoordelingsruimte die hij in casu niet heeft overschreden. Geen van de mededelingen heeft de strafrechter overtuigd zodat de vordering is afgewezen (rov. 5.4). De mededelingen van de raadsman zijn uitgezonden waarin wordt benadrukt dat er "nauwelijks" iets mis was (rov. 5.4.1). Met betrekking tot de coderekeningen heeft de OvJ niet aangegeven dat het om [eiseres] ging (rov. 5.4.3), terwijl de mededeling over [betrokkene 3] direct ter zitting is rechtgezet (rov. 5.4). Op grond van dit alles heeft het Hof aangenomen dat niet aannemelijk is dat [eiseres] door een en ander schade heeft geleden (rov. 5.4.1).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e220826ed17f39c895fb98f0e502233227ead98df2ee885573819f146e4c8c2a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e220826ed17f39c895fb98f0e502233227ead98df2ee885573819f146e4c8c2a, en de alinea staat in dat document op bytes 86018 tot 86864.