Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2007

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3535.

2.6. Het is opmerkelijk dat deze alledaagse vraag niet eerder uitdrukkelijk in een cassatiemiddel aan de orde is gesteld. Een quick scan van de Bopz-beschikkingen in de laatste drie jaargangen jurisprudentie leert dat, voor zover rechters een begin- en/of een einddatum van de machtiging in het dictum van hun beschikking hebben opgenomen, de berekening van de geldigheidsduur niet op uniforme wijze plaatsvindt. De rechter behoeft overigens niet een begin- of einddatum in zijn beschikking te vermelden; het mag wel(5). Ten aanzien van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling vloeit de geldigheidsduur rechtstreeks voort uit de wet (art. 30 Wet Bopz). Ten aanzien van de overige machtigingen bepaalt de rechter de geldigheidsduur met inachtneming van het wettelijk maximum. De rechter kan in het dictum volstaan met vermelding van het aantal dagen, weken of maanden waarvoor de machtiging wordt verleend. Het is vervolgens aan de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis om de precieze einddatum vast te stellen. Wanneer de rechtbank zelf de einddatum vermeldt, waartoe bijv. aanleiding kan bestaan indien de rechter een kortere termijn dan het wettelijk maximum vaststelt, is die datum bepalend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb22cd0889874e720cc0c350eac6f418a915e6e7229a5d510424e0018461dcf8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb22cd0889874e720cc0c350eac6f418a915e6e7229a5d510424e0018461dcf8, en de alinea staat in dat document op bytes 11719 tot 12959.