Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2007

Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA4607.

2.4. Op grond van het voorgaande en hetgeen in de eerdere uitspraken is gerelateerd over de grondslag waarop [verweerster] eventueel een financiële vergoeding kan vorderen van [eiser] (de rechtbank verwijst in dit kader naar onderdeel 2.3 van het tussenvonnis van 11 november 1998 en de onderdelen 4.6.2 en 4.7 van het laatste arrest(4)) kunnen, indien vast komt te staan dat de vermogensvermeerdering aan de zijde van [eiser] terzake de goodwill voldoende verband houdt met - voor zover hier van belang: - de financiële injecties en indirecte investeringen door [verweerster] in de jaren 1984-1988, de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat zij, [verweerster], niet slechts een vergoeding ontvangt wegens die financiële injecties en investeringen, arbeidsuren en rentebeloning, maar ook dat zij in enige mate deelt in de mede dankzij haar opgebouwde goodwill.'

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/10cab0b80a8836165522318d09f6384b4570da0d38a19a5a9c8d009d1cb49c27. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 10cab0b80a8836165522318d09f6384b4570da0d38a19a5a9c8d009d1cb49c27, en de alinea staat in dat document op bytes 25693 tot 26588.