Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2007
Alinea 133 Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5624.
5.2.4 Voormeld uit art. 6, eerste lid, EVRM voortvloeiende recht van de benadeelde partij is in het nationale recht - wat betreft de procedure in feitelijke aanleg - neergelegd in art. 51d, eerste lid, Sv. Die regeling houdt in dat de benadeelde partij in beginsel de processtukken kan inzien waarbij zij belang heeft. Kennisneming van dergelijke, voor de vordering van belang zijnde stukken, kan aan deze procesdeelnemer op grond van het tweede lid van dit artikel enkel worden onthouden in het belang van het onderzoek, dan wel in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.(12) Beoordeling van de vraag of een stuk als van belang voor het geschil omtrent de civiele vordering kan worden aangemerkt komt op grond van dit artikel in beginsel toe aan de Officier van Justitie zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. Is dit wel het geval, dan dient de zittingsrechter van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd zich een oordeel te vormen over de vraag of een bepaald stuk aan de benadeelde partij ter beschikking kan worden gesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83ec9461b1ebaa6f2444157d524032e8772442e5a06b7b9b2673723e01b80b22. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83ec9461b1ebaa6f2444157d524032e8772442e5a06b7b9b2673723e01b80b22, en de alinea staat in dat document op bytes 60515 tot 61740.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/83ec9461b1ebaa6f2444157d524032e8772442e5a06b7b9b2673723e01b80b22 | shasum -a 256