Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2007

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5629.

7. Volgens art. 511f Sv dient de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te berusten op wettige bewijsmiddelen. Daartoe horen schriftelijke bescheiden (art. 339 Sv), zoals beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast (art. 344 lid 1 onder 1o Sv). Daarmee is nog niet gezegd dat al hetgeen in een rechterlijke beslissing wordt overwogen tot bewijs kan dienen. De wet spreekt van "beslissingen". In mijn ogen gaat het dus om - voor wat betreft een uitspraak van een strafrechter - de daarin ingevolge de art. 348 en 350 Sv vervatte beslissingen, zoals de bewezenverklaring. Ik wijs in dit verband op het bepaalde in art. 161 Rv, dat een (...) vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Die bepaling kent voor wat betreft het bewijs dus een beperking tot hetgeen de strafrechter op grond van wettige bewijsmiddelen bewezen heeft verklaard en strekt zich niet uit tot andere feitelijke vaststellingen in de uitspraak van de strafrechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8763c0910f1478b8c41d6bdef2f9031c468770c55723194ef96cd66a9f08e6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8763c0910f1478b8c41d6bdef2f9031c468770c55723194ef96cd66a9f08e6e, en de alinea staat in dat document op bytes 14303 tot 15408.