Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2007

Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5665.

19. De vraag is nog of het uit een oogpunt van effectieve bescherming van het verschoningsrecht noodzakelijk is de in mijn ogen onzuivere weg te kiezen van het doen omvatten van het verschoningsrecht van al hetgeen de verschoningsgerechtigde in de uitoefening van diens beroep door derden wordt toevertrouwd, ongeacht of dat toevertrouwen geschiedt in het kader van medewerking door de verschoningsgerechtigde aan het plegen van strafbare feiten. Dat lijkt mij niet. Steeds zal immers over de reikwijdte van het verschoningsrecht niet het oordeel van instanties van opsporing en vervolging maar het oordeel van de rechter doorslaggevend zijn, dat van de rechter-commissaris(26), zowel in een strafrechtelijk als een civielrechtelijk getuigenverhoor, en - uiteindelijk - dat van de strafrechter in het kader van een vervolging ter zake van art. 192 Sr of in het kader van beklag tegen inbeslagneming. Aldus wordt zoveel als mogelijk is voorkomen dat de hulpzoekende zich niet durft toe te vertrouwen aan de verschoningsgerechtigde omdat justitie over het hoofd van de verschoningsgerechtigde zou kunnen meekijken.(27)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/90fb0dfc2f9c187ede94aa7c315821d9aa1b543109967b8840180ec738df60e1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 90fb0dfc2f9c187ede94aa7c315821d9aa1b543109967b8840180ec738df60e1, en de alinea staat in dat document op bytes 40238 tot 41367.