Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2007

Alinea 92 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5665.

27. In zijn algemeenheid gesproken zou ik, vooropgesteld dat hier zoals in de rechtspraak van de Hoge Raad een inbreuk op het verschoningsrecht in het geding is, genoemde omstandigheden niet toereikend achten om de waarheidsvinding te doen prevaleren boven het verschoningsrecht. Hier ontbreekt immers, anders dan in de onder 18 genoemde rechtspraak, deelneming van de verschoningsgerechtigde aan de strafbare feiten ter zake waarvan beslag wordt gelegd.(31) Dit betekent dat de overwegingen van de Rechtbank niet voldoen aan de voor inbreuk op het verschoningsrecht geldende zware motiveringseisen.(32) Daarbij dient te worden bedacht dat het hier niet gaat om een zeer omvangrijk bedrag van benadeling en de Rechtbank niet heeft vastgesteld dat de strafbare feiten van die aard en omvang zijn dat zij het (plaatselijke) economisch verkeer dreigen te ontwrichten dan wel dat zij het vertrouwen dat met het oog op een ordelijke en betrouwbare afwikkeling van overdracht van onroerend goed in het notariaat moet kunnen worden gesteld, ernstig schade toebrengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/90fb0dfc2f9c187ede94aa7c315821d9aa1b543109967b8840180ec738df60e1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 90fb0dfc2f9c187ede94aa7c315821d9aa1b543109967b8840180ec738df60e1, en de alinea staat in dat document op bytes 47192 tot 48265.