Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007
Alinea 63 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5796.
14. Gelet op de hiervoor door Cahen als prealabel aangemerkte vraag, geef ik er de voorkeur aan eerst middelonderdeel 3 te bespreken dat de kwestie van de overdraagbaarheid van het recht op voldoening van de parkbijdrage aan de orde stelt. Dit derde middelonderdeel klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 7 en 8 heeft miskend dat niet zonder meer valt in te zien dat in dit geval het recht op voldoening van de parkbijdrage een voor overgang vatbaar recht is, zoals vereist door art. 6:251 BW. Het onderdeel verwijst in dit verband naar het in de feitelijke instanties gevoerde debat over de betekenis van de artt. IV, V en VII van de algemene voorwaarden behorende bij de met de kaveleigenaren aangegane koop-/aannemingsovereenkomsten. Onder vermelding van vindplaatsen in de gedingstukken (inleidende dagvaarding sub 31, conclusie van repliek sub 3.11, 5.2 en 5.3 en memorie van grieven sub 2.7) wijst het middelonderdeel erop dat Vakantiepark heeft aangevoerd dat (a) uit die bepalingen, gelezen in onderlinge samenhang, volgt dat in de onderlinge verhouding van de kaveleigenaren en Bij de Vaate het recht om jegens de kaveleigenaren de parkbijdrage te innen, uitsluitend toekwam aan Bij de Vaate (of een met haar gelieerde vennootschap), en dat dit recht na het staken van de exploitatie door Bij de Vaate toekomt aan de op te richten Vereniging van Eigenaren. In het onderdeel wordt vervolgens erop gewezen dat Vakantiepark heeft aangevoerd dat (b) uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een voor overgang vatbaar recht als bedoeld in art. 6:251 BW, althans dat het Bij de Vaate niet vrij stond het recht op de parkbijdrage zonder toestemming van de kaveleigenaren aan een derde over te dragen. In het onderdeel wordt betoogd dat het hof de stellingen genoemd achter (a) niet expliciet of impliciet ongegrond of onjuist heeft bevonden of verworpen, dat uit stelling (a) volgt dat ook stelling (b) in beginsel juist is en dat in het licht van een en ander 's hofs oordeel dat het recht van Bij de Vaate jegens de kaveleigenaren tot inning van de parkbijdrage een voor overgang vatbaar kwalitatief recht is dat Vakantiepark kan uitoefenen jegens de kaveleigenaren, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e28cf180f7d391ebf9c5e553f8c74f5a854d12bba8a83b5daea5cd1f26aa8a50. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e28cf180f7d391ebf9c5e553f8c74f5a854d12bba8a83b5daea5cd1f26aa8a50, en de alinea staat in dat document op bytes 38820 tot 41118.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e28cf180f7d391ebf9c5e553f8c74f5a854d12bba8a83b5daea5cd1f26aa8a50 | shasum -a 256