Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2007

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5825.

5. Het gaat hier om de analoge toepassing van art. 69 Sr op de rechtspersoon. Deze wetsbepaling houdt in dat de bevoegdheid strafrechtelijk te vervolgen vervalt bij de dood van de verdachte. De rechtspraak heeft hieraan de uitbreiding gegeven dat het vervolgingsrecht evenzeer vervalt bij het 'overlijden' van een rechtspersoon, derhalve de ontbinding daarvan. Zulk vennootschappelijk verscheiden staat aan vervolging evenwel alleen in de weg indien de opheffing van de rechtspersoonlijkheid kenbaar was op het moment waarop de strafvervolging een aanvang neemt. Daarbij kan in beginsel worden afgegaan op de registratie in het Handelsregister. In het bijzondere geval waarin de ontbinding van de rechtspersoon niet in het Handelsregister is aangetekend doch de officier van justitie over rechtstreekse en ernstige aanwijzingen voor zulke ontbinding beschikt, dient hij dit nader te onderzoeken, vgl. HR NJ 2004, 186, verwijzend naar HR NJ 1994, 408.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f7fb2dd958fd6eaefda1040ebc9edb6650c0583f584e4a1deeafcc65e827e07. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f7fb2dd958fd6eaefda1040ebc9edb6650c0583f584e4a1deeafcc65e827e07, en de alinea staat in dat document op bytes 8127 tot 9091.