Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2007
Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2007
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA6246.
11. Bij de beantwoording van deze vraag dient vooropgesteld te worden dat ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind, geschillen omtrent hun gezamenlijke gezagsuitoefening ieder voor zich of gezamenlijk op de voet van art. 1:253a BW aan de rechter kunnen voorleggen. De rechter beproeft eerst een vergelijk tussen de ouders en neemt, als dat niet lukt, een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Hij heeft de vrijheid bij zijn beslissing de wens van (een van de) ouders te volgen, dan wel daarvan af te wijken en een beslissing te geven die hij in de gegeven omstandigheden met het oog op het belang van het kind geraden acht. Zie Asser-De Boer, nr. 820a; Kluwers Personen- en familierecht, losbl., art. 253a, aant. 3 (J.E. Doek).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cb1c40c495219a394c1bb566445169bf35d04f9132fb009638a428cd6080c3e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cb1c40c495219a394c1bb566445169bf35d04f9132fb009638a428cd6080c3e, en de alinea staat in dat document op bytes 13632 tot 14427.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2cb1c40c495219a394c1bb566445169bf35d04f9132fb009638a428cd6080c3e | shasum -a 256