Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2007

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA6246.

13. In het licht van de wetsgeschiedenis is art. 1:377h BW derhalve te beschouwen als een aanvulling op en uitwerking van art. 1:253a BW voor een bijzonder geval, namelijk het geval waarin het geschil van de ouders omtrent de gezamenlijke gezagsuitoefening betrekking heeft op de feitelijke uitoefening van de uit het gezag voortvloeiende omgang met het kind. Vgl. Kluwers Personen- en familierecht, losbl., art. 377h, aant. 1 (S.F.M. Wortmann). Gelet op de samenhang tussen art. 1:253a BW en art. 1:377h BW en in aanmerking genomen dat de wet niet voorschrijft noch onvermijdelijk meebrengt dat art. 1:377h BW exclusieve werking heeft ten opzichte van art. 1:253a BW, moet worden aangenomen dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek ex art. 1:377h BW dezelfde vrijheid heeft als wanneer het geschil hem langs de weg van art. 1:253a BW zou zijn voorgelegd. De rechter moet derhalve geacht worden ook bij de beoordeling van een verzoek ex art. 1:377h BW de vrijheid te hebben af te wijken van de wens van (een van) de ouders en een beslissing te geven die hij in de gegeven omstandigheden met het oog op de belangen van de kinderen geraden acht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cb1c40c495219a394c1bb566445169bf35d04f9132fb009638a428cd6080c3e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cb1c40c495219a394c1bb566445169bf35d04f9132fb009638a428cd6080c3e, en de alinea staat in dat document op bytes 15633 tot 16799.