Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2007

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA6269.

In de arresten van 15 september 1995 en 17 oktober 1997 is aan de orde gekomen of in geval van een huwelijk waarin de echtgenoten zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap ("koude uitsluiting") op de man een natuurlijke verbintenis rust om te zorgen voor een acceptabele huisvesting van de vrouw na afloop van het huwelijk. Deze vraag rees in het kader van een geschil tussen de ex-echtgenoten over door de man geclaimde vergoedingsrechten ter zake van door hem verstrekte gelden voor de op naam van de vrouw staande woning. Uw Raad overwoog in het arrest van 15 september 1995 dat in het algemeen als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mag worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestaat in de verstrekking door de man van gelden voor de aankoop van een geheel of mede op naam van de vrouw te plaatsen gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning, nu het voor de hand ligt dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in die woning kan blijven wonen en deze waarborg niet tot zijn recht zou komen, wanneer de vrouw het gevaar loopt deze woning te moeten verkopen om te kunnen voldoen aan een vergoedingsplicht jegens de man of diens erfgenamen. Het verschaffen van een zodanige waarborg zal - aldus uw Raad - veelal naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt, doch daarbij zal mede acht moeten worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. Zie in dezelfde zin het arrest van 17 oktober 1997, waarin het hof bij zijn door uw Raad gesanctioneerde oordeel dat sprake was van een natuurlijke verbintenis, meer concreet doorslaggevend had geacht dat de vrouw kort na het aangaan van het huwelijk een betaalde werkkring had opgegeven om in het bedrijf van de man te kunnen gaan werken, in welk bedrijf zij gedurende ongeveer veertien jaren circa 40 uren per week zonder beloning had gewerkt, zodat de vrouw ten behoeve van het bedrijf van de man de mogelijkheid had prijsgegeven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Uit dat arrest, alsmede uit dat van 1 oktober 2004, blijkt voorts dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis, naar het oordeel van uw Raad bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie, en dat naar het oordeel van uw Raad niet van belang is hoe partijen er later blijken financieel voor te staan. Zie voorts onder meer: W.R. Meijer, Verzorgingsmaatregelen als nakoming van een natuurlijke verbintenis, WPNR 6258/6259, 1997, p. 136-137 en 147-149; B.C.M. Waaijer, in: Handboek nieuw erfrecht, 2002, hoofdstuk X.11.1; Klaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht: tweede gedeelte: erfrecht, 1989; Asser-Hartkamp, 4-I, nr. 71 e.v.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b3bc3cbe996e9cf20b65c3487ac1718557e95bc86fe8e4469cdc08e5d52b0151. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b3bc3cbe996e9cf20b65c3487ac1718557e95bc86fe8e4469cdc08e5d52b0151, en de alinea staat in dat document op bytes 18446 tot 21385.