Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2007

Alinea 269 Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2007

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA7189.

-3.3. Het middel betoogt met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1996, zaak C-230/94, (Enkler) Jur. 1996, I-4517, V-N 1996, (1997; PJW) VN 1997, blz. 653, dat het Hof onvoldoende aan de hand van de omstandigheden van de concrete situatie heeft getoetst of sprake is van exploitatie ter verkrijging van duurzame opbrengst in de zin van artikel 7, lid 2, onderdeel b, van de Wet, en wijst met name op de omstandigheid dat belanghebbende, een commanditaire vennootschap, en - anders dan het Hof overweegt - naar algemene opvattingen geen zelfstandige rechtspersoon, apparatuur ter beschikking stelt aan het ziekenhuis, haar commanditaire vennoot, hetgeen volgens het middel duidt op belangenverstrengeling. 's Hofs oordeel dat de door belanghebbende met betrekking tot de onderwerpelijke apparatuur verrichte prestaties jegens het ziekenhuis moeten worden aangemerkt als de exploitatie van vermogensbestanddelen om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de zin van artikel 7, lid 2, onderdeel b, van de Wet geeft, nu het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende niet is te vereenzelvigen met het ziekenhuis en dat zij roerende zaken (waaronder de onderwerpelijke apparatuur) heeft verworven en tegen vergoeding beschikbaar stelt aan het ziekenhuis, waarbij de uitkomsten van deze exploitatie voor haar rekening komen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet - naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - in het licht van artikel 4 van de Zesde richtlijn, en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het hiervóór genoemde arrest in de zaak Enkler ziet niet op gevallen als het onderhavige, waarin goederen worden aangeschaft, die uitsluitend voor de verhuur worden gebruikt, terwijl uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 januari 2000, zaak C-23/98 (Heerma) volgt dat verhuur als de onderwerpelijke geacht moet worden zelfstandig te worden verricht in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn, ook al heeft belanghebbende als enige activiteit het verhuren van lichamelijke zaken aan haar commanditaire vennoot."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5edd600278b4dc8eee4396a533e15a0d234a7eef1b4714c9064261bf8c1520da. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5edd600278b4dc8eee4396a533e15a0d234a7eef1b4714c9064261bf8c1520da, en de alinea staat in dat document op bytes 86609 tot 88853.